Leuven maakt circulariteit concreet
Hergebruik, reparatie en circulair bouwen krijgen meetbare doelen

Veel gemeenten hebben circulaire ambities, maar de uitvoering blijkt vaak weerbarstig. Het Belgische Leuven probeert die ambities tastbaar te maken met een ketenaanpak. De stad investeert en pioniert in hergebruik van bouwmaterialen, reparatie van producten en de verwerking van organisch afval en verbindt daar nadrukkelijk ook meetbare doelen aan.
Voor de Leuvense schepen Thomas Van Oppens, verantwoordelijk voor klimaat en duurzaamheid, draait circulariteit niet om grote woorden. Hij ziet het vooral als een kwestie van beginnen en gaandeweg leren. Het gevaar is volgens hem dat circulariteit bij ideeën blijft. Leuven is daarom gewoon begonnen.
Dat gebeurde al in 2020, toen de stad zijn eerste circulaire strategie lanceerde. Zes jaar later ligt er een nieuwe versie, gebaseerd op de ervaringen met hergebruik, reparatie, afvalreductie en circulair bouwen.
Volgens Van Oppens worstelen veel overheden met dezelfde vraag: hoe maak je van circulariteit meer dan een verzameling ambities? Leuven koos ervoor niet eerst jarenlang te studeren op ‘de perfecte aanpak’, maar projecten op te zetten en vervolgens te ontdekken wat werkt.
Bouwsector als grootste opgave
De grootste klimaatwinst ziet Van Oppens in de bouwsector. Daar worden grote hoeveelheden grondstoffen gebruikt en verdwijnen nog altijd veel bruikbare materialen in containers.
Om dat te voorkomen richtte Leuven in 2021 de Materialenbank op. Die onderzoekt welke materialen uit sloop- en renovatieprojecten kunnen worden hergebruikt en brengt vraag en aanbod bij elkaar.
De groei verliep sneller dan verwacht. Waar in 2021 nog ongeveer 40 ton materiaal van de afvalberg werd gered, gaat het inmiddels om bijna 500 ton per jaar. Van Oppens wil dat Leuven tegen 2030 groeit naar 8.000 ton materialen die van de afvalberg worden gered.
Om die ambitie waar te maken verhuist de Materialenbank binnenkort naar een grotere locatie. Tegelijkertijd moet het initiatief uitgroeien van een fysieke opslagplaats naar een logistiek systeem waarbij materialen rechtstreeks van de ene werf naar de andere worden gebracht. Zo wil Leuven zo weinig mogelijk opslag, omdat opslag geld kost.
Volgens Van Oppens laat de Materialenbank zien dat een gemeente wel degelijk invloed kan uitoefenen op de markt, zonder alles via regels af te dwingen. Voor grote projectontwikkelingen en vastgoedpartijen kan de stad voorwaarden stellen in vergunningstrajecten. Tegelijkertijd ziet hij dat steeds meer organisaties uit eigen beweging circulair willen werken.
De KU Leuven, ziekenhuizen, het chip-onderzoeksinstituut imec en andere grote patrimoniumbeheerders schakelen de Materialenbank steeds vaker in om te bekijken welke materialen behouden kunnen blijven. Voor veel grote vastgoedeigenaren is het volgens Van Oppens inmiddels de standaard geworden om eerst te kijken wat hergebruikt kan worden.
Toch bestaan er nog obstakels. Vooral regelgeving rond certificering en kwaliteitsnormen maakt hergebruik soms ingewikkeld. Materialen die technisch perfect bruikbaar zijn, krijgen niet altijd eenvoudig opnieuw de vereiste labels.
Repareren als nieuwe reflex
Leuven beperkt circulariteit niet alleen tot gebouwen en bouwmaterialen. Zo probeert de stad ook inwoners te mobiliseren en anders te laten omgaan met producten die kapotgaan.
Dat gebeurt via initiatieven als Maakbaar Leuven, waar elektronische toestellen worden hersteld, repaircafés en MAAKbar, waar inwoners gereedschap kunnen lenen of textiel kunnen laten repareren. Beide organisaties ontstonden als burgerbewegingen en worden ondersteund door de stad.
Volgens Van Oppens is het een grote maatschappelijke uitdaging. Vandaag denken mensen nog vaak: het is kapot, dus ik vervang het. Leuven probeert van herstellen opnieuw een logische optie te maken. Zelfs de afvalapp van de stad wordt daarvoor ingezet. Inwoners die opzoeken hoe ze een product moeten weggooien, krijgen ook informatie over repaircafés en herstelmogelijkheden.
De nieuwe strategie richt zich ook op het verder terugdringen van restafval. Leuven heeft de ambitie om naar maximaal 85 kilogram restafval per inwoner te gaan. Nog altijd belanden veel bruikbare spullen in de restafvalzak. Hoe minder er moet worden verbrand, hoe beter.
Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor organische afvalstromen. Leuven zet steeds sterker in op de vergisting van bioafval, waarbij organisch materiaal wordt omgezet in groene stroom, warmte en compost. Vooral bij afval uit de horeca ziet de stad nog groeipotentieel. Volgens Van Oppens is dat een essentieel onderdeel van een circulaire economie: afval niet langer zien als een eindpunt, maar als grondstof voor nieuwe toepassingen.
Hergebruik wordt aantrekkelijker
De groeiende belangstelling voor hergebruik van bouwmaterialen werd volgens Van Oppens geholpen door stijgende grondstofprijzen. Nieuwe materialen werden duurder, waardoor hergebruik economisch aantrekkelijker werd.
Tegelijkertijd erkent hij dat lokale overheden slechts een deel van de oplossing in handen hebben. Zolang het goedkoper is om iets nieuws te kopen dan om iets te herstellen, zal circulariteit moeilijk doorbreken.
Volgens de schepen ligt de grootste uitdaging uiteindelijk op Europees niveau. Arbeid is relatief duur, terwijl grondstoffen en importproducten volgens hem nog te goedkoop blijven. Daarom verwacht hij dat vooral Europese regelgeving een belangrijke rol gaat spelen bij het stimuleren van herstel en hergebruik.
Durven meten
Wat Van Oppens betreft, moet de nieuwe strategie niet alleen ambitieus zijn, maar ook meetbaar. Samen met KU Leuven werkt de stad aan innovaties op het gebied van circulariteit, zoals een circulaire monitor die moet laten zien of de doelstellingen daadwerkelijk worden gehaald.
Goede dingen doen is belangrijk, maar je moet ook weten of je bereikt wat je wilt bereiken. Dat betekent volgens hem ook dat bestuurders zich kwetsbaar moeten opstellen en bereid moeten zijn om op de resultaten te worden afgerekend.
Op de vraag wat er in 2030 bereikt moet zijn, noemt hij drie concrete resultaten: een Materialenbank die jaarlijks 8.000 ton bouwmateriaal redt, minder restafval per inwoner en meer organische reststromen die worden omgezet in energie en compost.
Maar uiteindelijk hoopt hij vooral op een andere reflex bij inwoners: als iemand een kapot toestel heeft en zich eerst afvraagt of het kan worden gerepareerd, is de stad volgens hem een stap verder.
Bron: Stadszaken - 10 augustus 2026
Foto: Unsplash

